maandag 16 juni 2014

Eucalypta

"Joehoe, bun ie d'r nog?" De verpleegster komt de kamer binnengestormd. Spontaan schiet ik in de lach door de onvervalste Achterhoekse benadering. Wel een gesmoord lachje, want de ernst van de situatie is mij wel duidelijk. Alle toeters en bellen gaan af bij de patiënte in het bed tegenover mijn moeder. De vrouw is behoorlijk onwel na een ingrijpende operatie. Gelukkig ligt mijn moeder er anders bij.

Het lopen ging haar steeds moeilijker af en ze had veel pijn, dat zag ik wel. Soms, als ze liep, dan deed ze me denken aan de moeder van mijn vader, maar dat heb ik haar nooit durven te zeggen. Normaal gesproken zou je namelijk zo'n iemand oma noemen, maar in mijn geval verdiende ze die titel niet. Ik heb nog nooit een oma ontmoet die zo vals was als die vrouw.

Met een verbeten trek om haar mond liep ze al trekkend met haar been door haar kleine huisje. Het ene been was blijkbaar korter dan het andere en in mijn herinnering had ze een hele schelle stem. Maar wellicht maak ik er nu nog meer een heks van dan dat ze al was. In de bijkeuken stond altijd, op een soort warmhoudplaatje, een pannetje met karnemelksaus. Een smerig goedje bestaande uit uitgebakken spekjes, bloem en karnemelk met een dikke laag vet er bovenop. Als de kleinkinderen er waren, vroeg ze met die heksenstem: "Willen jullie een snoepje?" We riepen dan allemaal uit volle borst: ja! Netjes stonden we op een rij. Eucalypta ging rond met het schattige snoeptrommeltje boordevol heerlijke snoepjes. Mijn neefjes en nichtjes pakten allemaal één voor één een snoepje. Als ik dan aan de beurt was, sloeg ze voor mijn neus het trommeltje dicht en zei: "Pak ie moar van de karnemelksaus!"

God zij dank hebben mijn kinderen niet zon oma. Mijn moeder verwent ze tot op het bot. Nog harder dan ze mij altijd verwende. Ik mag wel zeggen dat door nacht en ontij mijn moeder een zeer sterke en lieve vrouw is gebleken. Ze heeft ons door meerdere stormen geloodst. En nu ligt ze ook zo stoer in dat ziekenhuisbed. Al één keer eerder had ze een nieuwe heup gekregen en nu was de tweede aan de beurt. Zodra ik haar zie na de operatie heeft ze praatjes voor tien: Ik zei nog tegen de chirurg voor de operatie begon, wel een beetje symmetrisch graag. Ik wil aan beide kanten hetzelfde litteken We moeten allebei lachen en komen op dreef. Zo moeders, wat nu?, zeg ik op een gegeven moment tegen haar. Nieuwe knieën, nieuwe tieten? Je bent er nu toch. Zeg het maar. En zo blijven wij nog een tijdje doorgaan en de tranen rollen over onze wangen.

Ze probeert zich even op te trekken aan de papegaai die boven haar bed hangt en stiekem verbijt ze de pijn om vervolgens weer een humorvolle opmerking te plaatsen. Even bezie ik ons van een afstandje en realiseer me dat we erg op elkaar lijken. Zo doen wij dat dus. Als wij te maken krijgen met een moeilijke situatie, met pijn of ellende, dan houden wij elkaar op de been met veel humor en relativering. Ik ben heel trots op mijn moeder dat ze het leven zo goed doorstaat. Neem graag een voorbeeld aan haar met hier en daar een kleine aanpassing, dat wel. Binnenkort zal ik haar maar eens gaan verrassen met eigen gebrouwen mengsel van een wel eetbaar, lekker goedje.



dinsdag 10 juni 2014

Stiekeme soep

“Ja hoor, dat kan!” Gierend van het lachen rollen we bijna van de bank af en kijken we de eigenaar van de strandtent dankbaar aan. “Maar ik ben er morgen zelf niet, dus bel dan in de ochtend even met de kok, dan komt het vast in orde”.

“We beginnen de dag met klein glaasje citroensap aangelengd met water, daarna krijgen we een glaasje sinaasappelsap, om 12 uur tomatensap van één tomaat aangevuld met bouillon en dan maak ik ’s middag appeltaart voor jullie.” “Appeltaart?”, roepen wij in koor. “Geintje”, lacht de sapvastenbegeleidster. “Ik leg dan de appels in warm water, maak er sap van en doe er een schutje kaneel overheen. Dat is hartstikke lekker. En als laatste sap van de dag maak ik een groentesap weer aangevuld met bouillon. Daarnaast krijgen jullie een glaasje wortelsap. Die kun je eventueel bewaren voor later op de avond.”

Ik heb me voor een week sapvasten aangemeld op het eiland Terschelling. Had behoefte aan een grondige reiniging van lichaam en geest. De laatste jaren heb ik teveel aan gif mijn lijf ingeduwd. Dat besef kwam bij mij overduidelijk binnen toen ik in de dagen voorafgaande aan de detox mijn voorbereidingen trof. Ik besloot om geen vlees, geen alcohol, geen suiker, geen brood te nuttigen, maar alleen groenten, fruit en soms een visje te eten. Dag drie lag ik, hondsberoerd, als een baby opgekruld in bed. Ik had gewoon een cold turkey. Als een junk, die aan het afkicken was van de heroïne, zo lag ik te rillen en te beven in mijn bed. Ik was misselijk, had gruwelijke hoofdpijn en had het ontzettend koud. Kon niets meer dan wachten tot het overging en realiseerde dat ik goed aan het afkicken was van mijn suikerverslaving.

Het klonk veelbelovend toen de eigenaresse ons het schema uit de doeken deed, maar al snel heb ik het gevoel dat me een wortel voor gehouden is. Ik voel me met de dag slapper worden, wat natuurlijk bij het hele sapvasten gebeuren hoort. Je legt je systeem plat en de afvalstoffen zoeken zich een uitweg uit je lijf. Hoofdpijn ligt op de loer, maar dat tackel ik door zeer veel water te drinken. Mijn tong slaat wit uit en door het glas bitterzout krijgen mijn darmen de ernstige aandrang om de inhoud met militaire precisie te lozen. Ik kan nauwelijks mijn lijf bewegen. Een kleine helling in het hotel voelt alsof ik de Mount Everest aan het beklimmen ben. Het lijkt erop dat al mijn spieren tegelijk besloten hebben mijn lichaam per direct te verlaten. Voor de zekerheid check ik die avond even op internet of mijn verschijnselen normaal zijn. Daar lees ik dat je zeker minimaal 1 liter sap per dag moet krijgen. Wij krijgen welgeteld de helft waarvan dus ook nog twee sappen aangelengd worden met water. Tevens lees ik dat je je zeker niet constant beroerd hoeft te voelen en dat je dus naar behoefte meer sap mag nuttigen. Die mogelijkheid wordt ons niet geboden.  

Als ik na een paar avonden lamlendig op de bank naar ‘Goede tijden, slechte tijden’ heb liggen kijken, vraag ik mezelf af waar ik in godsnaam mee bezig ben. Ik stuur een berichtje naar een mede-sapgast en we besluiten te ontsnappen uit het kuuroord. We pakken de fiets en in een tergend traag tempo fietsen we naar een strandtent. Van het geld dat één van ons in de binnenvoering van haar jas vindt, kunnen we precies twee cranberrysapjes kopen. “Ik heb het nooit begrepen dat sapvasten. Waarom zou iemand zichzelf dat vrijwillig aan willen doen. Dat is toch niet normaal!” En na het uitspreken van die woorden zet de eigenaar van de strandtent de sapjes voor ons neer. Wij kijken elkaar aan en beginnen keihard te lachen. Als twee kleine kinderen zo blij met een ijsje, genieten wij van het extra sapje en kunnen niets anders dan concluderen dat de beste man wel een punt had en smeden samen met hem het snode plan.

De volgende dag is het tijd het plan ten uitvoer te brengen. We bellen de kok en hij belooft iets in elkaar te draaien. Als we wachten op het terras in het dorp op onze derde partner in crime, nemen we voor de zekerheid alvast een kopje Karmathee. Je weet namelijk maar nooit hoe we deze actie ooit nog gaan terugkrijgen. Als we compleet zijn vervolgen we onze weg richting de strandtent en dan breekt weertechnisch de hel los. Koude tegenwind krijgen we om de oren, harde slagregens in ons gezicht, maar wij laten ons niet tegenhouden. Als een stelletje roofdieren op jacht naar de prooi fietsen wij met klapperde regencapes door de duinen.

“Ha, zijn jullie daar?”, roept de eigenaar door de tent als wij verregend en verwaaid het etablissement binnen komen strompelen. “Ik moest vandaag even komen om ‘mijn soepgasten’ te verwelkomen. Wat een bak! Ik zal de kok meteen aan het werk zetten”. Als de eigenaar met de stiekeme soep arriveert kunnen we niet anders dan gelukzalig aanvallen. We komen op temperatuur, ons brein wordt geactiveerd en binnen mum van tijd voelen we ons weer mens. De eigenaar kijkt gebiologeerd naar ons en roept vanachter de bar. “Idioot gedoe dat sapvasten!”