dinsdag 7 januari 2014

Alles is gezegd

Donderdagmorgen. De telefoon gaat. Vandaag gaat het gebeuren hoor ik de stem van mijn tante zeggen. Als een speer kleed ik me aan en spring in de auto. Voor de tweede keer deze week rijd ik naar de Achterhoek. Als ik nu geflitst word, ben ik mijn rijbewijs kwijt. Daar kan ik niet bij stil staan, dat kost tijd. En die tijd heb ik niet.

Mijn gedachten dwalen af naar het reisje met mijn moeder en oma naar Bernkastel. Mijn oma wilde er nog zo graag naar toe. Vele mooie herinneringen had ze aan het gebied. Ze was er vaak met opa en de kinderen op vakantie geweest. Onderweg vertelde ze over de eerste vakantie met opa. Van de Achterhoek meer dan driehonderd kilometer op de brommer naar het prachtige gebied aan de Moezel. De heuvels die ze moesten doorkruisen zagen zij aan voor bergen. Ze hadden nog nooit zoiets gezien. Oma moest onderaan de heuvel van de brommer afstappen en naar boven lopen. Het ding kon hen beiden niet omhoog vervoeren. Ondertussen reed opa naar de top en als oma dan boven aangekomen was, stapte ze weer achterop en samen scheurden ze dan de ‘berg’ af.

Tijdens het rijden gaat continu de telefoon en word ik gestoord in mijn herinneringen. Iedereen moet worden gemobiliseerd, de situatie inschatten en voor zichzelf de juiste keuze maken. Ik leg contact met een Spaans eiland. Mijn moeder zit daar. Zij moet ook weten dat oma met spoed in het ziekenhuis opgenomen is.

In het hotel in Bernkastel had mijn oma al snel een ritueel te pakken. Iedere morgen klopte ze op de deur van de slaapkamer van mijn moeder en mij en vroeg: “Zijn mijn hofdames als klaar?” Als ik dan de deur opende en zij om de hoek keek, waar mijn uitpuilende weekendtas stond met een berg kleren erop, ernaast en eronder, zei ze iedere keer op haar beste Achterhoeks: “Ik snap niet dat iej zo kunt laeven”.

Het leven. Voor haar was het klaar. ‘Ik ben niet levensmoe’, zei ze dan, ‘ik ben moe van het leven. Maar me dunkt, ik ben zesentachtig!’ Ondanks dat ik zelf midden in het leven sta, begreep ik haar op de een of andere manier wel. Tijdens één onze gesprekken vertelde ze me namelijk dat de mooiste tijd van haar leven de periode was dat de kinderen nog klein waren, dat ze voor ze kon zorgen. Die tijd was allang voorbij.

De zaterdag ervoor was ik nog bij haar. Ze zag er goed uit. Ze keek fris en monter uit haar ogen. Heel helder van geest ook. Grapjes makend over de trage schilders en verhalen vertellend over vroeger. Lekker schuifelend achter de rollator nog even samen naar de winkel. En ik had een broodje ‘ouwe kip’ voor haar gemaakt. Ze had het nog nooit gegeten, maar we vonden het wel heel toepasselijk.

De laatste tijd was alles bespreekbaar. Het was net alsof door ons beide telkens de kans genomen werd om zoveel mogelijk te benoemen wat we belangrijk vonden. Mijn liefde voor haar, haar liefde voor mij. Mijn dankbaarheid dat zij met opa mijn schuiladres was gedurende mijn hele jeugd, omdat het thuis een hel was. Ik vroeg haar zelfs om mij een teken te geven als ze dood was. Als het paradijs bestond. Zij was daar zeker van. Dat wist ze van haar zus. Die had een bijna-dood-ervaring gehad. Maar dat van dat teken kon ze niet beloven, omdat ze dacht dat ze al het aardse zou loslaten.

Aangekomen in het ziekenhuis zie ik allerlei familieleden voor haar kamer staan. De deur zit dicht. ‘Ze zijn oma aan het verschonen, we moeten even wachten’, zegt mijn tante. Het duurt lang. Intussen hoor ik wat er gebeurd is. Ze had een hartaanval. Ze hebben haar toch nog gereanimeerd, terwijl ze dat eigenlijk niet wilde.

Ik dwaal nog even af naar onze reis. In Trier dacht ik dat we met de neus in de boter waren gevallen. Althans voor een gelovig mens als mijn oma zeker. De Heilige Rok van Trier, het vermeende onderkleed van Jezus, werd aan het publiek getoond. Dit komt maar heel zelden voor vanwege de kwetsbaarheid van het relikwie. Als we via de normale weg de dom van Trier in wilden, kostte ons dat zeker een uur of vier. Dat kon mijn oma niet opbrengen, dus ik heb bergen verzet en geregeld dat ze via een andere route naar binnen kon. Helemaal blij en uitgelaten vertelde ik haar het goede nieuws. ‘Oh’, zei ze broodnuchter, ‘maar ik ga niet naar binnen. Ik heb helemaal niets met die relikwieën. Wie zegt dat ze echt zijn? En dan nog, geloof zit niet in al die zogenaamde heilige voorwerpen, geloof zit in je hart.’

Als ik haar zie liggen in het ziekenhuisbed begin ik te huilen. Er ligt een klein en nietig oud vrouwtje, een schim van de sterke vrouw die ze altijd was. Als ik goed kijk, zie ik dat ze al ‘weg’ is. Haar hart klopt nog, ze haalt onrustig adem, maar zij is er niet meer. Ik leg mijn hand op haar hoofd, strijk met mijn vingers door haar dunne, grijze haartjes en fluister in haar oor: ‘Het is goed zo oma. Ga maar’. Nog even vecht het lichaam door, maar zodra de geestelijke haar het laatste sacrament heeft toegediend, blaast ze haar laatste adem uit. Oma kan eindelijk rusten. Alles is gezegd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen