maandag 25 februari 2013

De vlucht


De Vlucht

Kom meisje, word wakker! We moeten nu gaan. Kijk, ik heb hier je jas. Het is midden in de nacht. Buiten is het aardedonker en koud. Mijn moeder is helemaal aangekleed en helpt mij in mijn jas. Ze neemt mij mee naar beneden. Daar trekt ze mijn schoenen aan en we lopen samen naar buiten. De wind waait flink en ik voel de kou door mijn dunne pyjamabroek heen. Ze zet mij in de auto en we rijden weg van ons huis. Eenmaal in de koude auto schudt de ernst van de situatie mij keihard wakker. Wij zijn op de vlucht!
   De weg tussen het dorp waar wij wonen en de grote stad is nauwelijks verlicht. Alle bewegingen die we zien, doen ons hart sneller kloppen. Ik kijk continue door het achterraam van de auto naar buiten om te controleren of we niet gevolgd worden. Iedere passerende auto kan gevaar betekenen. Hebben we nog genoeg tijd om veilig aan te komen? Hoe groot is de dreiging en wat staat ons nog te wachten? Wat er ook nog staat te gebeuren, het kan toch niet erger zijn dan de afgelopen jaren?

Op weg naar de verjaardag van mijn tante in de auto begon het al. Weer een ruzie. Uiteraard ingegeven door een flinke hoeveelheid drank. Ineens na veel woorden, viel het weer een tijdje stil. Een ijzige stilte. Ik zat op de achterbank, alleen.
   Het was een prachtige dag in oktober. Die dag gingen we sinds lange tijd weer eens iets samen doen. Mijn vader, mijn moeder en ik. De spanning was altijd te snijden. Maar toch, tegen beter weten in, probeerden we het iedere keer weer. Misschien was het verlangen naar een gewoon gezinsleven bij ons alle drie even groot. Maar het was kansloos dat wist ik. Het was voor mij niet nieuw. Ik was tien jaar oud en wist niet beter dan dat mijn ouders ruzie hadden.
   Plotseling was daar die uitbarsting op de terugweg. Mijn vader trok aan het stuur. Gelukkig kon mijn moeder, die achter het stuur zat, de auto nog in het rechte spoor houden. Vervolgens gooide hij de autodeur open en dreigde eruit te springen. Mijn moeder reageerde door vaart te minderen. Dat was het signaal voor hem om te springen. Ik krijg jullie nog wel., hoorden we hem nog roepen.

We zien de flat waar mijn oom en tante wonen. Snel parkeren we de auto bij een andere flat en rennen door het plantsoen naar het gebouw van mijn oom en tante. Ik haal mijn pyjama en benen open aan de rozebottelstruiken. In het schijnsel van het licht van de flatportiek staan wij te wachten tot de deur open gaat. Ons hart klopt in onze keel. Eindelijk veilig binnen met de deur op slot barsten wij allebei in huilen uit. Dan horen wij geschreeuw onder aan het flatgebouw. Ik schiet jullie kapot!, mijn vader staat beneden met een pistool te zwaaien. In de verte zie ik de zwaailichten van de politieautos.

4 opmerkingen:

  1. Pfff wat indringend.Wel dapper dat jecdit durftbop te schrijven. En wat een heldere spiegel heb je in je leven meegekregen. Dit voorbeeld heeft je waarschijnlijk je positieve drive gebracht. Je beseft maar al te goed wat je niet wilt. En wat je wel wilt. Je hebt me ontroerd...

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Pfff wat indringend.Wel dapper dat jecdit durftbop te schrijven. En wat een heldere spiegel heb je in je leven meegekregen. Dit voorbeeld heeft je waarschijnlijk je positieve drive gebracht. Je beseft maar al te goed wat je niet wilt. En wat je wel wilt. Je hebt me ontroerd...

    BeantwoordenVerwijderen